Tegenvaller
Gisteren naar ‘Into the Wild’ geweest. Van verschillende kanten had ik lovende geluiden gehoord over de film. Met enige verwachting ging ik naar het Cinecenter bij het Leidseplein. De film wist me echter niet erg te boeien. Het hoofdpersonage bleef buiten me staan; ik wist me er niet mee te identificeren. Mooie plaatjes, ja, van Californië tot Alaska, een aantal semi-heroïsche daden, zoals een levensgevaarlijke kanotocht, en ‘on the road’-scenes, zoals hippiefeesten, ‘jumps’ op goederentreinen en andere zwerversromantiek. Maar waarom kregen we dit nu allemaal te zien?
Op weg naar huis bleef ik me afvragen wat er voor mij aan schortte. Waarom wist de film mij niet te raken? Anderen zullen toch hun redenen hebben gehad om hem aan te prijzen.
Wat is het thema van de film? Op z’n best zou je ‘Into the Wild’ kunnen beschouwen als een soort exorcistische film: een jongeman (en het verhaal schijnt te zijn gebaseerd op een werkelijke gebeurtenissen), net van ‘college’, is zo ziek van z’n ouders, de kleinburgerlijke omgeving, de kerk etc, dat hij twee jaar lang op zoek gaat naar de gezondheid van zijn ‘ware zelf’. Een zelfreinigingsactie dus: de hoofdpersoon (die zichzelf op een gegeven moment ‘Alex the Supertramp’ noemt) zoekt zich te bevrijden van de rottigheid en vervormingen die hij heeft opgelopen in jeugd en opvoeding. Mooi thema, maar wat gebeurt er mee?
We krijgen een jongeman te zien die zich in allerlei pittoreske decors beweegt, enkele opmerkelijke ontmoetingen heeft, volzit met boeken in zijn hoofd, bij alles een passend citaat heeft, overal ascetisch buiten blijft en met de ambitie rondloopt om over zijn avonturen een boek à la ‘Walden’ te schrijven. Zelfheroïficatie. En natuurlijk wordt hij een keer in elkaar geslagen en raakt hij hier en daar in de war: de cliché’s uit het zwerversromantische genre worden niet gemist. Uiteindelijk gaat hij dood aan giftige bessen in Alaska, terwijl hij wordt tegengehouden door een te wilde rivier die hij niet kan oversteken om nog in de bewoonde wereld te geraken voor hulp, nadat hij ontdekt heeft dat het toch om de ander gaat.
Wat me het meest trof was de inenging van het verhaal tot individueel-psychologische proporties. Alles had een gezicht. En verder veel belevingsexhibitionisme. Nu kun je zeggen dat dat niet anders kan in een film (hetgeen op zich al iets zou zeggen over de film als cultureel medium), maar maakt dat een beperking tot het louter persoonlijke onvermijdelijk? Een bredere context kan wel degelijk aan de orde komen in een film, zo lijkt me, bijvoorbeeld door de montage en in wát je een gezicht geeft.
Zowel de oprispingen van de jongeman als ook de wijze van filmen negeerden elke cultureel-maatschappelijke dimensie, - behalve misschien de obligate schimpscheuten richting hippies, maar deze decorstukken hadden verder weinig met het verhaal van het hoofdpersonage te maken; als Alex in een hippiegezin was opgegroeid zou het nog enige narratieve relevantie kunnen hebben gehad, maar dat was helemaal niet geval: de vader was een briljante NASA-werker (geweest) en verder leek het gezinsleven vooral te worden gedomineerd door kleingeestigheid en verkeerde keuzes, - althans, zo werd het in de film voorgesteld. Ook de spiegelverhalen binnen de film (zoals die van een rondtrekkend stel, een hitsig meisje en een oude man die ooit zijn vrouw en kind is verloren) draaiden louter om het persoonlijke.
Vanwaar deze inenging? Is het omdat het een Hollywood-film is: met zelfcensuur omwille van het grote publiek? Is het eigen aan de Amerikaanse (of breder: Westerse) interpretatie van levensprocessen: de reductie van alles tot het individueel-psychologische? Een personage kan nog wel ‘self-absorbed’ zijn, maar daarom hoeft een film over hem dat nog niet te zijn.
Klein voorbeeldje. Als in de film met een enkele zin wordt gezegd dat de hoofdpersoon óók vanwege zijn religieuze opvoeding is weggelopen naar de wildernis, waarom is daarvan dan helemaal niets te merken in het verhaal? Of moet dat blijken uit het feit dat jongeman zichzelf vol pompt met boekenwijsheden (van Tolstoi tot Thoreau) en aldus zijn belevingswereld behangt met alternatieve betekenissen?
De enige meer uitgewerkte referentie naar iets ruimers dan de jongen zelf is de beroerde familiale context waarin hij is opgegroeid, en deze wordt dan weer gereduceerd tot, jawel, het individueel-psychologische en relationele: altijd ruziemakende ouders, een te hard werkende vader met nog een gezin elders, de verkeerde keuze van de ouders voor elkaar, de zus die haar broer adoreert, e.d. Nu kan dat ingrijpende gevolgen hebben, uiteraard, maar is het ook het enige wat er over te zeggen valt?
En breder: wat willen de makers van de film nu eigenlijk communiceren met het oog op de thematiek? Is het voldoende om alles in de sfeer van het persoonlijke te houden wanneer je je wilt bevrijden van schadelijke invloeden uit je jeugd en opvoeding?
Anyway, het was een interessante film, niet vanwege het verhaal maar als fenomeen: wat de onderwerpbenadering zegt over de cultuur waarin de film gemaakt is en/of over de beperkte horizon van de makers. De thematiek heeft potentie, maar er blijft teveel onaangeroerd en onuitgewerkt om het tot een betekenisvol epos te maken. Misschien is men te dicht bij het werkelijk gebeurde verhaal gebleven en hoe dat werd verteld door de betrokkenen, inclusief de dagboeken van de hoofdpersoon. Van een film verwacht ik meer.